Vroeger, toen gras nog groen was en muziek nog lieflijk, werd de kunst van het spreken op scholen onderwezen. Jonge kinderen kregen op vroege leeftijd de juiste woordkeuzen aangeleerd, om als volwassene met een sterke vocabulaire voor de dag te komen.
Met de verloedering van het dagelijkse taalgebruik, waarbij er haast iedere dag een woord lijkt te verdwijnen, is ook de kunst van het spreken onderhevig aan zware erosie. Dat is funest, want wie goed spreekt, kan in een handomdraai meerdere doelgroepen bereiken.
De kunst zit ‘m in het spiegelen. In hoeverre kan de spreker zijn of haar eigen ego aan de kant zetten, om zodoende ruimte vrij te maken zodat de gedachten en wensen van de toehoorder rijkelijk mogen vloeien?